Donald Duck gaat fietsen (de ode aan Dionysos en Friedrich Nietzsche)

Ik ging voor het eerst sinds lange tijd een rondje fietsen. De drukte, en dat maal factor vijftien, had me voor enkele weken lamgelegd, maar deze zaterdag klopte alles. Het bescheiden hardlooprondje in zeer bescheiden tempo was deze ochtend de bescheiden voorbode geweest van een bescheiden rondje fietsen “met de handjes op het stuur en genieten”, zoals Arjan mij via WhatsApp had beloofd. Hij voegde er een zonnetje bij.

Alles klopte.

Als antwoord stuurde ik hem een gifje van een verliefde Donald Duck terug. Ik voel altijd innige verwantschap met Donald Duck die zijn levenslgeluk niet laat afhangen van zijn successen. Voor mijn kleinzoon lees ik steevast Donald Duck’s Nieuwe Zwembad en Donald Duck de Brandweerman voor. Om en om, flater op flater. Dionysos op zijn best zal ik maar zeggen.

“Dan ga ik rond 2n bij Ed langs en dan 15:00u bij Algera?”, stelde ik Arjan per WhatsApp voor. Wie zwijgt stemt blijkbaar toe, want een antwoord ontbrak.

Vrij van tijdsdruk legde ik mijn fietskleding tijdig klaar. Ik koos voor het Frankrijkpakje van onze fietsreis naar de Tourmalet in 2022, door de Tour verkeerde ik immers in Franse sferen. Tevreden keek ik naar het rijtje benodigdheden. Petje. Handschoentjes. Witte fietsschoenen. Ondershirt. Sokken. Bidon. Bril. Ik at een boterham, liet een boer en voorzag mijn zitvlak van een fikse lik broekenvet van Toco-Tholin. Ik liet mij uitgebreid met zonnebrandcrème insmeren door mevrouw de Spookrijder en checkte of mijn volgeladen Garmin wel volgeladen genoeg was.

Met de grootst mogelijke moeite trok ik mijn gloednieuwe GribGrabsokken aan, straaltjes zweet rolden van mijn voorhoofd in mijn ogen. “Tering sokken, het lijken wel steunkousen!”, vloekte ik terwijl ik mijn linkeroog voelde prikken. Een paar weken geleden ontwikkelde zich een strontje op mijn onderste ooglid van mijn linkeroog dat door een fietsvriend medisch werd geduid als herpes. Herpes Keratitis had ik op het toilet gegoogeld, want het zat me toch niet helemaal lekker. Ik overtuigde mijzelf dat ik aan Hordeolum leed (Symptomen: Een pijnlijke, rode zwelling aan de rand van het ooglid, soms met pus), maar maakte toch gebruik van de Herpesvariant vanwege het shockeffect. Ik liet te pas maar vooral te onpas met trots weten dat ik herpes had (en dat het besmettelijk was). Ondanks de fietssokkenstress en mijn herpes had ik toch het gevoel dat de lente voor de tweede keer dit jaar was aangebroken.

Alles klopte.

Beneden pompte ik zes bar in mijn bandjes. De herpes brandde in mijn linkeroog omdat ik te snel had gepompt. Het is al 55 jaar mijn natuur om mijn leven in ieder opzicht op volle snelheid uit te voeren, mijn schrijverij uitgezonderd. Het liefst slaap ik ook snel, die nachtrust kan maar snel voorbij zijn. Er zit veel waars in de tekst van I’ll Sleep When I’m Dead van Warren Zevon.

Welke tijdswinst valt te halen uit het snel oppompen van je fietsbanden?

Ik klikte mijn helm vast, deed mijn bril op mijn neus waarbij ik mijn iPhone als spiegel gebruikte. Deze gewoonte is nieuw en dus bepaald nog geen ritueel. Na een intensieve trainingsrit kwam ik onlangs thuis met een scheve bril op mijn neus en, dat vooral, een asymmetrische voorklep van mijn petje. Malle Eppie op de fiets. Een beetje zoals Donald Duck zou koersen. Met de hartelijke groeten van Dionysos. Ik verruilde mijn badslippers voor mijn fietsschoentjes en begroette het zonlicht met een niet geforceerde grijns.

Alles klopte, zelfs mijn hart.

Mevrouw de Spookrijder floot me vanaf boven verliefd toe. ‘Staat mooi, die witte nieuwe sokken op die bruine kuiten van je’, had ze boven nog gezegd. Het zijn de kleine dingen die het doen, die het doen, zong of Saskia of Serge in mijn oor. Echte liefde houdt zich op in de spelonken van het bestaan.

Na een paar meter voelde ik meteen dat mijn fiets in de slapstickmodus stond. Klein voor, mega groot achter. De vierde beklimming van de Alpe, de versnelling van mijn laatste rit. Daarna ging het fietslicht voor een goede maand uit. Maar wat ik ook deed, mijn ketting weigerde te verspringen. Natuurlijk had ik de batterijtjes voor en achter moeten vervangen, stomme lul, helemaal vergeten, maar geen nood want ik heb altijd twee volgeladen batterijen van Sram in mijn bureaulaadje liggen. Zeldzaam heldere momenten van een door schade en schande wijzer geworden Dionysos.

‘In mijn bovenste laadje liggen ze. Bedankt!’, riep ik naar boven.

‘Ik kom eraan!’

Maar ook deze twee volle batterijen boden geen soelaas: Donald Duck reed nog altijd als Charlie Chaplin rond. Waren die twee batterijen wel opgeladen? Een tikkie gefrustreerd deed ik mijn wielerschoenen uit om mijn badslippers weer aan te trekken waarbij ik een miniem spiertje in mijn rechter voet verrekte. Ik herkende de venijnige pijn van weleer. Toen maandenlang last van gehad.

Boven propte ik de twee leeg veronderstelde batterijen in de opladers terwijl ik googelde hoe lang het duurde eerdat de Sram Etap / AXS Batterijen (want zo heten die krengen schijnbaar) zijn opgeladen. Zestig minuten, beweerde Google. Binnen een kwartiertje waren de mijne echter al weer vol. Die waren dus niet leeg geweest en dus was mijn euvel dieper gelegen.

Ik belde Ed.

“Joh die twee uur ga ik niet meer halen. Ik kom anders komende week wel een keertje bij je langs.”

“Heb je de batterijtjes bij je shifters al nagekeken?”, vroeg Ed die niet direct genoegen nam met mijn afzegging. Niet zozeer omdat mijn ziekenbezoek niet doorging, maar omdat hij mij dat fietsrondje met de handjes op het stuur zo gunde. Als het moment van afscheid eenmaal daar is verdient Ed een ereplaats met eeuwig uitzicht op de uitgestrekte polders van de Krimpenerwaard, het (fiets)gebied dat hij zo liefheeft.

Voordat ik antwoord kon geven (“die heeft Arthur nog vóór de Alpe nagekeken”), ging hij verder:

“En heb je die app gedownload? Nee zeker?”

Ik wist niet zeker welke app hij bedoelde, op zijn beurt was hij er wel zeker van dat ik die app níet had. Van Sram of van mijn fiets? Ik lulde er maar een beetje omheen, een inmiddels geoefende tactiek als inhoudelijke kennis en kunde mij in de steek laten, maar gokte dat hij de app van mijn fiets bedoelde: de download van die app was ondertussen al in volle gang. Na het Merk Fiets wilde de app weten welk Model Fiets ik had. Geen idee. Het merk wist ik uiteraard, maar het model? Type? Wie houdt zoiets bij? Waarom waren merk en kleur niet voldoende?

“Als je die hebt en je houdt je mobieltje bij je fiets, dan zie je de status van je batterijtjes van je derailleurs en van je shifters!”, zei Ed, opgewekt als altijd. Ik vloekte inwendig, want hoe pareer je zóveel vriendelijkheid.

Ik háát apparaten hartgrondig, geen enkel apparaat uitgezonderd. Intussen had ik ook Arjan afgezegd via WhatsApp. Vervolgens besloot ik redder in nood Arthuro te appen in het volle besef dat de dag steeds dichterbij komt dat noch Arjan, noch Ed, noch Arthuro de telefoon op zal nemen als mijn naam op hun display verschijnt. Zij kunnen hun enige dionysische vriend missen als kiespijn.

Na enkele verontrustende appjes (ik had, heel geraffineerd, een extra dosis paniek in mijn berichtjes gelegd) belde Arthur mij terug.

“Ik spring effe onder de douche. Ik denk dat ik wel weet wat er mankeert. Loop jij ondertussen naar je fiets, dan loods ik je er doorheen. Kan zelfs jij. Bel mij dan effe met beeld. Komt goed.”

Geen spoortje cynisme of humor. Kan zelfs jij… Kan zelfs jij… Kan zelfs jij…

Eenmaal beneden belde ik Arthuro facetimend terug. Ik keek naar mijn zelfbeeld. Mijn petje zat alweer een beetje scheef. Hoe houden andere renners dat tering ding recht? Je weet wel, die Guus Geluktypes waarbij altijd alles klopt. Apparaten functioneren, de péage betalen ze met een tolbadge, al hun batterijtjes zijn altijd opgeladen, ze snappen hoe betalingen per tikkie werkt, ze lezen de handleiding via de QR code, bij de Albert Heijn kunnen ze contactloos betalen en ze weten precies welk type fiets ze berijden en hoe breed hun bandjes zijn.

Bovendien zijn ze vaak voor Ajax.

Arthuro’s hoofd verscheen horizontaal op mijn beeldschermpje. Toen ik mijn mobieltje draaide, draaide Arthuro mee en werd zijn beeltenis horizontaal. Ik werd er misselijk van.

“Achter en voor zit op je derailleur een klein knopje. Dat moet je goed indrukken. Totdat die groen gaat knipperen. Dan is ie goed. En dat moet je vóór ook doen. Bij je shifters.”

Ik volgde Arthurs instructies nauwgezet. Bij mijn shifter linksvoor brandde geen groen lampje.

“Je hebt hem goed ingedrukt?”, vroeg Arthuro horizontaal. Ik liet hem verticaal het kuiltje in het vlees van mijn vingertop zien en zei er niets bij. Zwijgend vlees stemt toe.

“Ok Mar, zet je fiets nu op zijn kop. Ik wacht wel effe.”

Verbazingwekkend snel had ik mijn fiets zonder noemenswaardige schade op zijn kop gekregen.

“Nu moet je het rubber van de shifter afrollen.”

Een zinnetje uit een scène van Jiskefet.

“Zoals je een condoom afrolt bedoel je?”

“Geen idee, geen ervaring mee. Nu heb je een CR2032 batterijtje nodig. Zo’n platte. Die heb je toch wel?”

“Geen idee, ik bel Aniet boven effe, ik bel je zo terug Art.”

Vijf minuten later stond ze naast haar Donald Duck, met een stripje CR2032 batterijtjes.

‘Au! Godverredomme!’, vloekte ik, terwijl mevrouw de Spookrijder met een verwrongen gezicht een CR2032 batterijtje trachtte te bevrijden uit de te strakke plastic verpakking.

‘Hou nou eens op met dat gevloek! Wat is er nou?!’

‘Mijn voet joh! Ik heb een spiertje verrekt. Kan er amper op staan.’

Toen ik echter goed keek, bleek er een geniepige ijzeren splinter uit mijn spiksplinternieuwe Gripgrabsok te steken. Een dag eerder had Arthuro híer, op precíes déze plek, nog onderhoud gepleegd aan de fietsen van dochterlief en schoonzoonlief. Bij het knippen van een nieuwe remkabel was een aantal splinters op de grond terechtgekomen. Hij had ze gisteren allemaal opgeveegd. Allemaal behalve eentje. Die was voor de eerlijke vinder. Apollo versus Dionysos.

“Lukt het?”, vroeg Arthuro horizontaal.

Ondertussen had ik met een uiterste bovenmenselijke krachtsinspanning mijn rechter sok uitgetrokken waarbij ik haast mijn bewustzijn en mijn evenwicht verloor. De koelkast schommelde, kapseisde bijna en gaf zich toen in de ruststand gewonnen. Ondertussen peuterde mevrouw de Spookrijker met militaire precisie de splinter uit mijn voetzool. Het ging er een stuk grover aan toe dan bij het CR2032 batterijtje zo-even.

“Lukt het?”, vroeg Arthuro opnieuw, dit keer verticaal. Ik was een zenuwinzinking nabij.

Toen de CR2032 eenmaal in de rechter shifter (die nu de linker was, mijn fiets stond immers op zijn kop, maar het duurde even eer ik dat doorhad) was geplaatst en ik een proefrondje op badslippers had gereden, was Donald Duck eindelijk klaar voor zijn bescheiden rondje fietsen “met de handjes op het stuur”, zoals Arjan mij via WhatsApp had beloofd.

Nadat ik Arthuro voor de 357e keer in mijn leven (ik ken hem een jaar of tien) had bedankt, belde ik achtereenvolgens Arjan en Ed om te zeggen dat ik eraan kwam. De bekende mix van gegrinnik en een “heb jij weer” hoongelach viel mij ten deel.

Onderweg bedacht ik dat het de zoveelste afrekening met mijn eigen onwetendheid (ontstaan uit laksheid die op haar beurt voortkomt uit desinteresse) betrof. Verliefd op – zelfs verslaafd aan-  fietsen maar na dik veertig jaar nog altijd geen flauw benul hoe je een bandje vervangt, hoe je een wiel verwijdert, hoe breed je banden zijn, hoe ándere fietspompen dan je jóuwe werken, hoe stijf je frame is (wat überhaupt “stijfheid van je frame” betekent), hoe hoog je zadel moet staan, welk model fiets je hebt (en dat dáárvoor dus blijkbaar een app bestaat).

Het doet allemaal denken aan de klassieke tegenstelling tussen de Griekse godheden Apollo en Dionysos, beiden zonen van Zeus, waarbij al mijn fietsvrienden (niemand uitgezonderd) worden vertegenwoordigd door Apollo (god van de schoonheid, perfectie, orde, regelmaat, harmonie, evenwicht en rede) en ik, (tot nog toe alleen ik), mijzelf op het gebied van fietsen volledig herken in Dionysos (god van de wijnbouw, geestdrift, chaos, poëzie en muziek).

Ed, Arjan en Arthuro passen perfect in het beeld van Apollo, volledig vertrouwend op hun kennis en kunde, daar waar Dionysos uit pure gemakzucht dergelijke kennis als eerste overboord gooit (het was Aristoteles die beweerde dat hoe meer kennis je vergaart, hoe meer je bewust wordt van de omvang en complexiteit ervan). Persoonlijk reed ik nooit zo vaak lek sinds ik me een beetje ging verdiepen in het vervangen van een bandje (dit overigens op bevel van mevrouw de Spookrijder die rood haar krijgt van mijn laksheid).

Daarbij is gesteld dat Dionysos op fietsgebied tot in zijn nieren beseft alle Apollo’s van deze wereld nodig te hebben om een beetje te kunnen functioneren, terwijl dat andersom bepaald niet het geval is. Anders(om) gezegd: Ed, Arjan en Arthuro zijn fietsend allesbehalve afhankelijk van mijn aanwezigheid.

In zijn boek De Geboorte van een Tragedie, waarin de tegenstelling tussen het apollinische en het dionysische denken en handelen aan het licht komt, stelt Friedrich Nietzsche dat de westerse mens de kunst om het menselijk lijden te omarmen is verloren, waarmee het lijntje met het wielrennen is gemaakt en daarmee de cirkel rond. Op zeker dat Nietzsche een groot wielrenner zou zijn geweest.

Het bescheiden rondje fietsen “met de handjes op het stuur” van die namiddag inspireerde mij echter tot een verhaal dat ik eerdaags ga schrijven en dat ik tot uitentreuren zal gaan voorlezen aan het nageslacht.

Deze ode aan Dionysos en Friedrich Nietzsche wordt een gegarandeerde besteller en gaat heten: Donald Duck gaat fietsen!


Met Ed Roggeveen en Arthur Farenhout.



Ontdek meer van Wielercafé Panache

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.